Biesbosch.nu

Magazine september/oktober 2006

 

Terug naar inhoudsopgave

Corbicula. Copyright Jacques van der Neut.De Corbicula
 
De succesvolle opmars
               van een zoetwatermossel

               
   
  Jacques van der Neut

De soorten die behoren tot het geslacht Corbicula (een zoetwatermosseltje van pakweg twee centimeter) hebben een tropische en subtropische verspreiding. Tot aan het begin van de twintigste eeuw zijn ze gelokaliseerd in AziŽ, Afrika, AustraliŽ en Nieuw Guinea.
In 1938 ontdekte men Corbicula in de Columbia, een rivier in de Verenigde Staten. Er worden thans ook duizenden Corbiculaís in het Nederlandse rivierengebied aangetroffen.
Een nieuwkomer onder de loupe.

Europa
In 1949 heeft het schelpje heel CaliforniŽ veroverd. De opmars ging verder via Arizona, Tennessee, Alabama en Kentucky. Met vondsten in de Dordogne in Frankrijk en in de monding van de Taag in Portugal kreeg het tweekleppige weekdier ook in Europa vaste voet aan de grond. Het schelpje is dan ook al langs de Lek, de Maas (bij de Amercentrale), het Hollandsch Diep en de Nieuwe Merwede gesignaleerd.
In de kribvakken worden thans duizenden bijeen gedreven exemplaren gevonden. Soms als enkele klep, een andere keer zitten de beide kleppen nog aan elkaar: de zogenaamde doubletten. De volledige wetenschappelijke naam is Corbicula fluminalis. In de jaren tachtig dook deze soort voor het eerst in ons land op.
Het zoetwatermosseltje komt minder voor in de smalle kreken en killen, het is meer een soort voor de grote, bewegende stromen en rivieren. Dankzij de compacte, afgeknotte bouw met stevige, concentrische ribbels op de buitenkant kan Corbicula fluminalis goed tegen een stootje (golfslag, schuren langs zand, grind en stenen).

Slot
Corbicula. Copyright Jacques van der Neut.Tijdens een wandeling over de oevers van de grote rivieren vind je ongetwijfeld diverse kleppen. Als je er een paar opraapt, zie je in de bovenkant kleine ondiepe sleufjes, knobbeltjes en uitsparingen zitten, de zogeheten Ďtandení. De knobbeltjes van de ene klep passen minutieus in de sleufjes van de andere klep. Dit geheel noemen we het Ďslotí van de schelp. In ons land komt Corbicula in zoet water voor.
Wat zoutgehalte betreft, is de soort in de Taag toleranter. Door verschillende auteurs zijn er in de laatste helft van de negentiende eeuw en aan het begin van de twintigste eeuw wel honderden soorten Corbicula beschreven. Zij waren echter niet op de hoogte van de aanzienlijke variaties in vorm, kleur en grootte van dezelfde soort in verschillende groeistadia of vindplaatsen. De systematiek, het indelen en rangschikken van Corbicula is zeer ingewikkeld en is daarom meer een klusje voor specialisten.
De in onze wateren voorkomende Corbiculaís zijn inmiddels voorzien van Nederlandse namen. We hebben het dan over de Aziatische korfmossel en de toegeknepen korfmossel. Beide soorten worden als exoten beschouwd.

Tropische hitte
Meeuwen. Copyright Jacques van der Neut.Door de aanhoudende, tropische hitte stierven er onlangs veel Corbiculaís.
De weke inhoud van al die afgestorven schelpen dreef in het water rond en vormde zo een overvloedige dis voor gretig toehappende meeuwen. Tijdens een vaartocht over de Nieuwe Merwede, Beneden Merwede, Dordtse Kil en Hollandsch Diep telden medewerkers van het Staatsbosbeheer er zoín tien tot vijftienduizend. Voor heel veel zilvermeeuwen, stormmeeuwen, kokmeeuwen en mantelmeeuwen een schranspartij van een ongekende omvang.
 


Tekst en foto's: Jacques van der Neut, boswachter Staatsbosbeheer

 

Terug naar inhoudsopgave

Niets uit deze pagina mag worden gepubliceerd zonder toestemming van de auteur(s).
Ongevraagd gebruik van andermans beeldmateriaal is strafbaar
2006 © Biesbosch.nu